Tien voor acht wil ik knagers voeren en mijn pad kruist egel 1.
Het is de zelfverzekerde egel. De egel die weet dat ik alleen het goede met hem wil. En die niet verbaasd is dat er al twee gebutste eitjes in een bak graan op hem liggen te wachten.
Hij houdt dus heel even in maar koerst dan aan op die bak en slurpt eitje 1.
Na knagers voeren blijf ik stil staan tegen de open schuurdeur.
In de hoop om – snel-snel graag – alle egels in tien minuten voorbij te zien trekken.
Stomme ik.
Na vijf minuten is daar een kleine, inderdaad lichter gekleurde egel. Dat heb ik dus goed gezien. Dat jonge egels lichter van kleur zijn.
Die ziet egel 1 en deinst terug in de struiken.
Egel 1 is dus *niet* (denk ik) moeder.
Ik buts nog wat eitjes op andere plekken maar jong vertoont zich niet meer.
Ik ga naar binnen en zie een kwartier later egel 2 opduiken. Die heel anders loopt. Veel meer links-rechts-zwalkend. Onrustiger.
En eitje kraken doet egel 2 ook knap onhandig nl zodat alles eruit stroomt dit itt egel 1 die het breukvlak bovenop houdt zodat hij/zij uit beide helften alles zonder een druppel te spillen naar binnen krijgt.
Ik denk: wat moet het mooi zijn je beroep te maken van egel-watching.
En ook: zou het echt niet kunnen, egels aaien?
Die stekels, ok, dat snap ik.
Maar die fraaie franjes langs hun kop?