Ik heb een man op bezoek, hij zit in de gemakkelijke stoel met zijn rug naar de tuin.
Ik zit op de bank en heb zicht op de tuin.
Ik vertel dat ik dit jaar veel tuinvogels trek, nóg meer dan andere jaren.
Eigen schuld, zegt hij, die het blijkbaar opvat als een klacht (ik bedoelde het als ‘conversatie maken’ en ‘leuk!’).
Mijn sputteren maakt geen indruk, hij pakt breed uit over dat ik (te) veel aan mijn bomen hang: halve kokosnoten met vet-en-lekkers, mezenbollen, pinda’s.
En op de grond ook nog gevarieerd graan van -uiteraard- zeer goede kwaliteit.
Ik vertel over mussen en mezen en spreeuwen en nog zo wat.
Ik wijs naar áchter hem, waar op dat moment zo’n vijftig vogels (ongelogen!) zich te goed doen aan van alles.
Hij weigert te kijken.
Hij gelooft het wel.
En: eigen schuld (nogmaals: Ik Klaag Niet!).
Een verklaring heeft hij ook: de vogels vertellen het elkaar – zodoende.
Zelf voert hij ook vogels.
Op een klein beschut plekje onder zijn veranda.
Daar komen een paar mezen en vinken en een roodborst.
Géén spreeuwen laat staan kauwtjes.
Die kunnen daar niet bij.
We zitten duidelijk niet op dezelfde golflengte.
Geef een reactie