Woede – woede – woede raast door mijn ziel.
Ik kan het niet, aangedaan onrecht (door mij als zodanig gepercipieerd) van me laten afglijden omwille van lieve vrede en omdat ‘we’ nu eenmaal verder moeten en ach wat doet het ertoe.
Ik heb een (soort van) incasseringskussen en de klapjes daarop verdraag ik als wat een vrouw in het leven nu eenmaal overkomt.
Ik heb een zone erna met oprechte woede en ‘wat krijgen we nou en hoe haal je het in je stomme hoofd’ wat ik soms wat subtieler formuleer en dan is er nog gesprek mogelijk.
En ja, tuurlijk gebeurt het daarna nog tig keer dat ik tóch ‘ok, zand erover zeg’ maar dat zand is dan een dun laagje en gebeurt er nog eens iets dat mijn ziel pijnlijk raakt en (o shit!) nóg eens: dan is het over en uit.
Dat zuigt. Want eigenlijk houd ik niet van ruzie.
Maar ik houd nog minder van dat blijmoedige getrappel op mijn ziel door mensen die vinden dat ik daar maar tegen moet kunnen.
Geef een reactie