Toen ik maandag bij de Plus was vroeg het meisje aan de kassa zodra ik een fles wijn op de band zette hoevéél ik er had: “Want u koopt nooit maar 1 fles.”
Waarmee ik mij voelde betrapt als alcoholist en ik nog nét geen slap verhaal hield over dat ik niet élke dag vier flessen kocht etc.
Vandaag koop ik acht ons rosbief.
“Wat hebt u veel rosbief” zegt een ander meisje aan de kassa.
Op een toon van ‘dit is héél raar’.
Ga ik het invriezen? Nee. Kán dat, vraag ik. Ze denkt van niet.
Het is voor vier dagen, zeg ik. En het is in de aanbieding.
Ze kijkt op de kassa, stelt vast dat de rosbief nu € 16,90 per kilo is – hoeveel is dat anders.
Geen idee, antwoord ik (naar waarheid) maar “véél duurder” lieg ik.
Alsof het wat uitmaakt.
Dan die vier dagen.
“Maar dat gaat u dan toch niet allemaal in uw eentje opeten?”
Nee, natúúrlijk niet, zeg ik – en dit is wél waar.
Ik verzin er nog net geen echtgenoot en drie opgroeiende kinderen bij.
Gelukkig ligt er -met dank aan de knagers- ook erg veel groente in mijn karretje.
En eieren -voor egels- en zakjes geraspte kaas -voor kippen- en fruit: voor mij.
Nee, geen wijn.
Die hád ik maandag immers al gehaald.
Raar is dat toch.
Vanavond geboodschapt bij een nieuwe cassiere (zoals ze het daar spellen) die er duidelijk helemaal geen zin in had. Grafstem, een toon alsof ik haar zojuist enorm beledigd had, en toen ik nog (dom) vroeg of ik er 35 cent bij zou doen (zodat ze 2 euro kon terug te geven ipv 1,65), gromde ze “JA”. Waarna ik ook nog zelf uitdrukkelijk om m’n bonnetje moest vragen en ze me eerst even glazig aan ging staren voor ze de bon half doormidden uit de kassa scheurde.
Voordeel: zo iemand zit er niet lang genoeg om te merken dat je – daar – nooit groente koopt.