Ik loop het huis uit om boodschappen te gaan doen en word begroet door de man die het huis schuin aan de overkant aan het schilderen is.
Nu groeten in een dorp veel mensen elkaar maar deze vriendelijkheid verbaast me toch een beetje.
Wanneer ik terugkom kijkt de man weer in mijn richting dus groet *ik* nu maar vriendelijk.
Ik haal het boodschappenkrat en twee volle tassen uit mijn auto en achter mijn rug zegt een stem “dat mag ook wel eens geverfd worden”.
Huh?
De schilder is afgedaald van zijn trap, herhaalt de tekst en knikt richting mijn huis.
Ik zeg dat hij moet kijken naar de dakkapel.
Hij: “Die is zeker afgekeurd.”
Hoe komt de man daar nou weer bij.
Ik wijs erop dat hij nieuw is en kijk eens naar de voordeur.
Oók nieuw.
O ja.
En, zeg ik (nu op dreef): “Twee weken geleden is er nog een nieuwe gasketel geïnstalleerd.”
Dus ja, er moet geschilderd, maar nu-even-niet.
De schilder begrijpt het, zegt hij.
Natuurlijk een geldkwestie.
“Dat óók” zeg ik.
Want de échte reden (“Ik wil geen bemoeials over de vloer”) zou maar weer leiden tot zinloze discussie.
Geef een reactie