Vandaag, opeens: ik hoor de tjiftjaf.
Ik zie planten en bomen bijna voor mijn ogen uit schieten.
Ook de perenboom direct achter mijn huis waarvan bij een van de vreselijke stormen van deze winter de helft is afgespleten.
Egel is terug.
De dovenetel die twee weken geleden amper opkwam en toen voorzichtig knopjes kreeg breekt opeens geel uit. De witte nog niet en laat R. die nou asjeblieft niet uitrukken.
(Maar wél de brandnetel.)
Mijn eigen wortels. Opeens zitten ze ferm geplant in mijn huis, tuin, dierenbestaan.
Wil niet weg. Wil genieten. Wil hier zijn.
Elke nacht Eebje tegen mijn hoofd, Sammie in mijn armen en boos weg trappend wanneer ik onverwacht beweeg. Guus aan het voeteneind. Guus midden in de nacht (loei!) binnenkomend met “grote prooi!”= mini muis.
Vrienden, vriendinnen.
Heb ik niet op R. na (sorry voor wie mogelijk anderszins hoopte). Maar missen zal ik ze wel. Een aantal van die net-niets.
Toch morgen om vier uur de wekker.
Go west, old woman, go west.
