Vannacht heb ik een bizarre droom.
Ik droom dat mijn man naar iets officieels moet en dat ik aarzel of ik ook zal gaan.
En áls ik zal gaan, wat ik dan zal dragen.
Een wijde hippie-jurk misschien? Of een broek met colbertje.
Iemand belt aan en haalt me op. Achterop een fiets moet ik zitten. En dan in de trein.
Maar wanneer ik bij het restaurant van het feest ben blijk ik mijn auto bij me te hebben en kan ik nergens parkeren. Uiteindelijk toch gelukt en dan zijn er allemaal vrouwen die ik niet ken en die kennen mij wel en horen bij het feest.
Waar is de wc? Om die hoek? Nee – dáár, trap naar beneden. Lange, steile trap.
En dan een bocht om en nóg een trap. Ik zie de vrouwen de eetzaal in gaan, een leuk plekje uitkiezen. Ik ga al die trappen af. Beland in een zeer miezerige wc-ruimte waar ik bij het weggaan mijn jurk (blijkbaar toch een jurk aan) door de wc-pot haal.
Vandaag lees ik in VK Magazine over dubbeltjes die kwartjes worden en dat je het nooit écht onder de knie krijgt, je altijd ongemakkelijk en een vreemde blijft voelen.
Deze droom was op dat artikel geïnspireerd alleen had ik hem een nacht eerder.
Ik loop over straat en een man belaagt me.
Hij wil mijn tas.
Ik denk: mijn geld, ok, maar *niet* mijn tas.
Al dat gedoe met de credit cards etc blokkeren, alsjeblieft!
Ernst Hirsch Ballin biedt aan met me op te wandelen.
Naar een politiebureau.
Wanneer we daar zijn loopt hij weg.
De vrouw achter de balie hoort mijn verhaal aan en vraagt hoe de boef heet die mijn tas/geld wil.
Zodat ze dat kan opnemen in haar administratie.
De man hangt in de deurpost.
“Hoe heeft je,” vraag ik.
“Politie” zegt hij.
In de droom vind ik dat een beetje raar maar niet zo raar als ik dat nu ik het optik vind.
Ok, doe maar. Zegt de vrouw achter de balie.
Waarop ik al het geld uit mijn portemonnee haal (ongeveer € 150-200) en dat aan de man overhandig die hierna wegloopt.
Ik ga om half elf naar bed en word om half twee ruw gewekt door de telefoon.
Ik denk: dit is óf een verkeerd nummer óf een pestkop.
Ik denk ook: de telefoon naast mijn bed rinkelt wel maar doet het niet echt. Hij kan het basisstation niet vinden. Zal ik opstaan en naar mijn werkkamer gaan om daar op te nemen? Ik til de hoorn op en zet die weer neer: telefoon stopt.
Waarna ik nare droom op nare droom stapel.
Eerst 1 over mannen in witte pakken. Die waren het die hadden opgebeld. Iets over mijn huis en veiligheid. Toen ik de telefoon niet opnam moesten ze wel langs komen. Inspectie dus.
De droom is zo echt dat wanneer ik wakker word, ik even denk dat het echt gebeurd is.
Dan de Plusmarkt die anders is ingedeeld. Ik kan niets vinden, het duurt eindeloos.
Omdat het zo lang duurt kom ik gehuld in lompen (geen tijd me te verkleden) op een afspraak. Etentje met een aantal mensen en op 1 man had ik graag indruk gemaakt maar dat zit er niet in op deze manier.
Ik wil het niet te laat maken omdat ik dwars door een bos over kronkelende en steile paden moet terug fietsen. Als het donker is durf ik dat niet.
De anderen vinden mij flauw.
Kleine selectie uit de voorafgaande uren.
Gisternacht zoemden mijn dromen in op de reis: stond ik op Schiphol en was mijn handtas met ticket en paspoort en credit cards weg.
Dadelijk naar de Plusmarkt. Waar alles vast nog op zijn plaats zal liggen maar de schappen natuurlijk halfleeg zijn – maar dat is normaal.
Ik moet een betaalde baan zoeken.
Ik ben er somber over: wie wil mij nou, ik ben te oud, ik kan niets.
Maar omdat het écht moet besluit ik te solliciteren als bureauredacteur bij de radio. Dat moet ik toch kunnen, denk/hoop ik.
Ik kom niet eens voorbij de voordeur, word door de portier weggelachen.
Daarna ben ik (het zal eens *niet*) mijn auto kwijt. Geen idee waar ik die heb geparkeerd.
Wanneer ik eindelijk een parkeerwachter oid heb gevonden die mogelijk kan helpen schiet me niet te binnen wat voor merk auto ik heb. Om van het nummer nog maar te zwijgen.
Ik droom dat ik met mijn auto vast raak in de sneeuw, dat ik mijn auto heb geparkeerd en niet kan terugvinden, dat ik een studie afbreek, dat ik een nieuwe studie begin en die al op dag 1 beëindig.
Ik droom dat ik bijna word verkracht.
Ik word wakker en ‘you’ve got mail’: er is een boek via bol.com verkocht.
Aan iemand in Bergen. Ik ben zo blij en wil zo graag een goede indruk maken dat ik het liefst nú in de auto zou stappen om het boek persoonlijk in de bus te doen.
Ik word gevangen gehouden door een man die me de volgende ochtend gaat doodschieten.
Elke paar minuten doet hij het raampje van de cel even open. Ik word daar woest over. Ik ga een discussie aan (althans: ik probeer iets duidelijk te maken, hij zegt niks terug). Ik wil dat hij ophoudt met dat raampje-gedoe. Ik eis privacy.
Vandaag is voor orde op zaken stellen.
Ik ruim de boeken op die ik tot nu toe bij bol.com heb ingevoerd.
Ik ga straks nog wat boeken bekijken voor 1) bol.com 2) Winkel 3) weg.
Ook is het de hoogste tijd voor graven in mijn ziel (oplossingsgericht – de problemen zijn globaal bekend).
Voor wie zich druk/zorgen maakt over mijn eetpatroon: gisteren liet ik rösti die bijna een jaar over de houdbaarheid was verbranden (ik lette weer eens niet op), wist ‘m toch naar binnen te schuiven zonder dat hij er te rap weer uitkwam via het mondje of langs een andere weg.
Joechei.
Daarna lag ik tien uur in bed, sliep weinig, piekerde veel (waar zit toch die afzetbare piekerknop) en droomde
* dat ik woonde met iemand die een zeker twee meter lange groene slang had die alsmaar naar mijn benen hapte maar die iemand wou de slang niet weg doen: het was de slang of ik (ik mocht wel *blijven* maar slang bleef óók)
* dat ik geheel onvoorbereid opging voor mijn afstuderen na al een keer te zijn gezakt en pas op het allerlaatst schoot me te binnen dat ik al afgestudeerd wás(ben)
* dat ik uit het raam keek en zag hoe een autochtone man met een baard woedend een smekende allochtone man neerschoot waarna ik wegdook en helemaal geen zin had me aan te melden als getuige hiervan wat ik natuurlijk wel moest doen.
Kom maar op, nieuwe dag!
Waarop ik meteen maar het papieren abonnement van VK heb omgezet in Zaterdagplus (dat ingaat op 20 maart – tot die tijd dus alle kranten bewaren voor kattenbakken, konijnenkooien, verpakkingsmateriaal, houtkachelaanmaakspul).
Ik droom dat ik ga trouwen.
Het wordt een geweldig huwelijksfeest dat dagen zal duren.
Er komen erg veel mensen uit alle fasen van mijn leven, vrienden, kennissen, collega’s, vage kennissen, mensen aan mijn periferie.
Zelf ben ik in de droom begin twintig en lang en slank en met golvend jaar en in een goudkleurige strapless-dress.
Ik straal.
De eerste dag van de bruiloft is morgen.
Ik kan niet wáchten. Heerlijk en fantastisch lijkt het me allemaal.
Eén groot Feest.
Pas uren na wakker worden realiseer ik me dat ik in de droom geen ouders heb (en ook niet mis) en ook geen man.
Dat van die ouders is niet zo vreemd, die waren allebei al dood toen ik 21 was. Maar een man, dat lijkt me toch wel een vereiste voor een huwelijk.
In de droom beleefde ik dat anders.
Gisteren droom ik dat ik een bulldog heb: zo’n hond met van die kromme pootjes en een erg lelijk hoofd.
De hond is ziek, ik ben ermee bij de dierenarts. Ik moet érg lang wachten. Wanneer alle andere mensen en dieren zijn geholpen blijkt dat ze mij hebben vergeten. De dierenarts is al weg en de assistente wimpelt me af/weg.
Vannacht droom ik dat ik een kitten heb. Ik ontdek op een zondag dat die tussen de schouderbladen een plugje heeft. Ik trek het uit en je kunt er vocht door naar binnen brengen. Ik maak me zorgen: is dit van een operatie? Wat heeft of had mijn kitten dan.
Terwijl ik bel naar het nummer van mijn dierenarts in de hoop dat die dienst heeft gaat de wekker.
Met Flip gaat het trouwens goed.
R. mailt me dat hij zijn drankjes braaf doorslikt en dat hij eet. Erg actief is hij niet. Maar dat zouden wij ook niet zijn in een kooi op tafel.
Ik ben op een groot feest, misschien aansluitend op een congres.
Ik heb iets met een man die sterk lijkt op Clinton (mijn onderbewuste fantaseert een eind weg) waarna ik me weer in het feestgedruis begeef.
Waar (nu komt denk ik de kern) ik mijn handtas kwijt raak.
Wat altijd al vervelend is maar ik ben in een buitenland waar je knap onthand (.. handtas… onthand ..) bent zonder papieren, ticket, geld.
Ik ga zoeken, zie overal losse handtassen staan en sommige lijken op die van mij. Ik doe ze open, nee: toch niet de mijne.
Ik loop naar een verder liggende zaal. Daar treedt Margreet Dolman op voor het soort vrouwen dat zich laat bedotten op vrijwel gratis busreisjes waar ze dan vandaan komen met voor duizenden guldens kussenslopen.
De wekker loopt af voor ik volledig in de stress ben of het handtas-probleem heb opgelost.
Als ik me mijn stemming van de droom goed bewust ben, ging ik er vanuit dat het wel los zou lopen.
Wat opmerkelijk is, want zo zou ik er in het echt zeker niet over denken.
En droomde
* Dat ik in een bibliotheek een vaste tafel had.
Er waren tafels zat in die grote bibliotheek, de meeste waren onbezet.
Maar iedereen wou aan mijn tafel zitten. Niet mét mij, maar mij verdringend.
Wanneer ik er een paar uur niet was, werden dingen gestolen (boeken over vogels) en werden mijn sinaasappels uitgeperst waarbij de helften omgekeerd op het tafeltje werden achtergelaten.
Strekking: ik moest knokken voor mijn tafeltje. Wat ik deed. Ik ruimde op, ik foeterde mensen uit. Het enige dat me niet lukte was de boeken terug te krijgen. Dat was jammer maar geen ramp.
Om acht uur werd ik even wakker door een alarmerende tuttenbol maar tot kwart voor negen doezelde ik uit.
Dat was leuk. Dat was érg leuk. Zo leuk dat ik dacht: zou wel wat zijn, elke dag laat opstaan.
Intussen heb ik de andere kant ontdekt.
Dat de dag zo snel voorbij is.
Ik zing in een opera.
Ik heb een hoofdrol. Ik ben sopraan. Ik zing heel goed.
Het is een productie zoals de Nederlandse Opera ze een aantal jaren geleden altijd had: met veel staalconstructies.
Ik klim in een soort rek, ik loop over een steiger.
Op de steiger bóven mij zingt de mezzo. Ik moet naar haar toe, wil klimmen maar er ontbreken treden. Ik durf niet.
Voorúit. Ik móet. Ik durf niet.
Ik loop terug naar beneden, ik loop het toneel af.
Ik word uitgefoeterd door de regisseur.
Ik weet dat ik die laatste klim écht niet had kunnen maken tenzij ik me aan mijn armen had kunnen optrekken.
Maar zo sterk ben ik niet.
Ik ga naar de dierenarts.
Wanneer ik aan de beurt ben ontdek ik dat ik geen dier bij me heb.
Ik probeer me een houding te geven tegenover de dierenarts en zeg: “je zei toch dat een knobbel bij een konijn niet ernstig was? daarom heb ik het konijn niet meegenomen.”
Onzin! zegt de dierenarts en: haal dat konijn.
Volgende scène: ik word wakker na uren zitten slapen op een stoeltje in de wachtkamer van de dierenarts. Ze gaan sluiten, ik loop naar buiten (het is donker) en zoek mijn auto. Ik weet zeker dat die links om de hoek staat. Mm. Niet. Op het parkeerplaatsje vóór de kliniek dan? Ook niet. Rechts van de praktijk? Nee.
Mijn auto moet zijn gestolen.
Te voet ga ik op huis aan en dat is Amsterdam. Ik loop érg lang.
Op de Overtoom overweeg ik een tram te nemen.
Niet doen, zegt iemand. Want dan ben je na twee haltes thuis en dat is te snel.
Het eerste deel van mijn droom was plezierig.
Ik ontmoette mensen die ik alleen virtueel kende, ze bleken hartstikke aardig en met een groepje van 5-6 gingen we naar het huis van 1 ervan om te kletsen en te drinken. Ik had er zín in.
Alleen moest ik nog even mijn auto parkeren.
In Amsterdam. En een parkeerplek vinden viel niet mee.
Toen ik terugkwam bij de woning ging iedereen net weer weg.
Jammer. Dan maar op huis aan. Alleen kon ik nu mijn auto niet meer vinden.
Blokken liep ik om. Ik had echt geen idee.
Was het een achter-elkaar-parkeerplaats? Was het een insteekhaven?
Langs de lange straat, op dat pleintje?
Wat voor auto had ik eigenlijk, wat was de kleur, wat was het nummer.
Ik zoek op het net naar de betekenis van deel 2.
Auto kwijt, zegt 1 droomduider is ‘jezelf’ kwijt aangezien ‘auto(s)’ in het Grieks ‘zelf’ is.
En een andere deskundige: “Dit zal en dit zou ik maar serieus nemen, want ook al is het dan niet uw auto het kan ook iets anders zijn wat u kwijt raakt. Goed onthouden waar u alles laat.”
Ik ben precies een maand terug.
Ik ben hartstikke moe.
Zowel fysiek (slaapgebrek) als kwa ziel (futgebrek).
Ik doe Fanlog.
Ik doe mijn Winkel.
= een beetje pakjes maken (zeer erg ‘beetje’) en nieuwe Kadotips bedenken en daartoe van alles invoeren wat ik wel dóe (zo’n beetje) maar dan loop ik tegen de muur van dat futgebrek en dan wordt het weer niets.
Vannacht droomde ik van Lodewijk.
Dat doe ik wel vaker. Heel soms zijn het leuke dromen, meestal niet. Vannacht was een droom die ik niet direct kon plaatsen maar indringend was hij wel – zo’n droom waarvan ik dacht dat ik er iets mee móest (wat ik háát).
Ik ben vannacht weer op een grote luchthaven en wil terugreizen naar Nederland (mijn vakantie zit erop).
Ik reis met een kat die op de bak moet zodat we ons afzonderen in een kamertje. De kat gaat op de bak en krijgt ook 1 kitten.
Ik laat de kat even alleen en denk intussen: leuk! 1 extra kitten/kat kan ik er wel bij hebben!
Wanneer ik terug kom: kitten weg. Opgegeten door kat? Kan zijn.
Ik vlieg naar Atlanta. Daar wordt omgeroepen dat het vliegtuig niet verder vliegt vanwege een bommelding.
We wachten in een grote hal, er gebeurt niets.
Ik vlieg terug naar Schiphol en probeer daar te regelen dat ik op een andere vlucht naar Atlanta kom.
Het kán, maar pas de volgende dag.
Ik moet van alles regelen: het 1e besproken hotel afzeggen, zorgen dat ze de besproken auto niet aan een ander geven etc.
Dit is de zéér beknopte samenvatting van een droom waarover ik uren deed.
De voorpret is dit keer wel érg vroeg begonnen.
Ik heb een gigantisch groot huis geërfd van mijn man (de realiteit was ietsje anders).
Het huis lijkt op het gebouw aan de Prinsengracht van de rechtbank (met hof) destijds.
Ik gebruik er 1 kamer.
Mij wordt duidelijk dat de rest van het gebouw door het personeel wordt schoongehouden, alleen mijn kamer niet.
Ik spreek een vrouw erop aan.
Ze doet verontschuldigend.
Maar ik word me heel erg bewust dat ik de vreemde eend ben die ongewenst is.
Het huis/gebouw staat te koop.
Er loopt een makelaar rond met kijkers.
Even denk ik: kan ik dit huis hóuden. Maar dat is ondenkbaar.
Het beste moment: wanneer ik een vrouw die bij het schoonhoudpersoneel hoort ervan overtuig dat ik niet raar niet eng niet te pesten ben maar dat ze ook mijn kamer kan schoonmaken.
Als ze wil natuurlijk.
(wat een rare droom – zowel mbt die rijkdom die mijn man niet had, verre ván
* nog wel ‘gelijkend’: de hartgrondige haat van de rest van de familie die mij wegwierp en -stootte
* helemaal niet ‘waar’: een verzoening – die is er nooit van gekomen)
Ik ga door de slurf van het vliegtuig.
Ik loop de cabine in en het zijn geen rijen maar een soort bioscoopzaal.
Mijn plaats is ergens in het midden.
Ik besluit te gaan rennen. Joggen. Ik wurm me naar het eind van de rij en zet er een lekker sprintje in.
Langs de rijen van de bioscoopzaal.
En dan loop ik beneden in een straat, een met verlichting verlichte donkere straat.
Jog-jog. Ren-ren.
Gaat lekker.
(en gaat extra lekker als je je realiseert dat ik al jaren niet meer heb gerend)
Dan ren-ren kom ik bij de achterdeur van het vliegtuig en stap naar binnen en hol nog even wat *uit* en denk:
LEKKER!
Pas veel later (vele uren na ‘wakker’) denk ik: dat kan toch helemaal niet? In een vliegtuig rennen en dan ook uit het vliegtuig rennen en dan weer erin?
Ik droom dat ik kanker heb.
Ik ben in het ziekenhuis voor een behandeling.
Een verpleegster zegt dat ik veel pijn ga hebben, maar: ik heb geen keus. Ik moet dus dapper zijn, vindt zij.
Om de wachttijd te doden ga ik fotograferen.
Ik maak zeker honderd foto’s en laat die afdrukken op grote vellen.
Ik bekijk de foto’s. Er zitten goede bij.
Maar dan: op 1 foto staat mijn man. Dat moet de geest zijn van mijn man. Hij staat achter een klein jongetje. Alsof hij het wil behoeden. Zou hij engelbewaarder zijn geworden.
Ik wil het laten zien aan R.
Maar de foto is weg. Niet alleen die ene foto. Het hele vel waarop hij stond.
Ik zoek. Onder de tafel? Nee. Helemaal weg.
Creepy.
Wakker en uit bed dus maar.
Ik hou niet van geesten. Ik wil er niet aan denken, ik wil er niet in geloven en ik wil er ook niet van dromen.
* Ik zit in een vliegtuig waarin de temperatuur sterk oploopt en er insecten gaan rondkruipen.
We storten net niet neer.
* Ik sta in een lange rij voor de douane (ergens in Amerika) en ontdek wanneer ik éindelijk aan de beurt ben dat ik mijn tasje met de papieren in het vliegtuig heb laten liggen.
* Ik bedenk (in de droom) dat ik 2 tickets kan kopen. Dan ga ik met het ticket dat ik al heb via Atlanta naar Phoenix en laat de terugreis onbezet. En ga ik met het nieuwe ticket niet héén via Minneapolis maar wel terug via Minneapolis (kan laat in de ochtend ipv via Atlanta om 7 uur).
Aangezien een ticket dezer dagen tussen de 400 en 500 Euro kost en dat heb ik wel over voor de laatste dag niet voor dag en dauw hoeven opstaan en stressen.
Maar: zou het wel kunnen/mogen? Ik moet Delta bellen.
(en dan word ik wakker en denk dat het zondag is dus uitslapen of nee, het is zaterdag dus uitslapen tot half zeven maar neeee, het is vrijdag dus opstaan)
Ik ben in mijn huis en er zijn meer mensen.
Telkens wanneer ik naar de bovenverdieping ga heeft iemand de trap die naar beneden gaat los gekoppeld.
Ik roep: zet de trap weer neer. En dat gebeurt.
Dan ben ik beneden en spreek een man aan die te maken heeft met de Beveiliging.
Hij ziet er wel raar uit.
Dikke pens, buiktruitje. Oorringetjes.
Toch vraag ik hem iets te doen aan dat wegtrekken van de trap.
Hij gaat met me mee naar boven.
Daar zit hij aan me en wil seks.
Nee, zeg ik. En loop naar de trap die (ja, hoor) weer weg is.
Paniek.
Dan vliegt een kraai de kamer in die met een ferme ruk het gezicht van de beveiligingsman afrukt.
Het was een soort masker. En nu is het een hol iets, dat wat zijn gezicht was.